Cédric Leppens – Vurig Vervagen

Vurig Vervagen is een kortverhaal van de hand van Cédric Leppens. Leppens werd geboren op 26 maart 1995 en woont op Kempische bodem, in Wortel. Hij studeert taal- en letterkunde in Antwerpen, schrijft af en toe kortverhalen en momenteel werkt hij aan een comedystuk.

Vurig Vervagen

Ik was ondertussen al een hele tijd onderweg in deze auto, waarvan ik niet wist dat ik erin vertrokken was. Het dashboard vertelde me dat ik al tien kilometer achter de rug had, maar er was geen klok aanwezig en ik had geen besef van tijd. Het ging tussen mij, de auto en de weg. Ik kon de motorkap zien, of tenminste wat ervan over was. Een grote deuk in het midden en de koplampen hingen er als verlepte bloemen uit. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was dat deze auto nog steeds aan het rijden was. Ik herinner me heel weinig van voor deze tien kilometer. Ik weet niet wat me ertoe aanzette te vertrekken, noch weet ik waar ik naartoe aan het rijden was. Ik reed zonder enig doel op deze weg, die – toen ik erover nadacht – op de volledige afstand nog steeds geen enkele bocht vertoond had. Misschien was dit gewoon een droom? Dat moest het wel zijn, aangezien er geen andere verklaring was voor wat ik aan het beleven was. Zo kregen mijn gedachten even rust, eventjes zonder vragen.

Vijf kilometer verder nam ik een gedaante waar in de verte. Het begon als een kleine stip, maar naarmate ik dichterbij kwam, zag ik dat het een oude man was. Hij had zijn duim uitgestrekt en ik was meer dan opgelucht om te kunnen praten met iemand, die niet ikzelf was. Hij stapte in en aangezien deze weg volledig recht was, had het geen zin om een bestemming aan te kondigen. We reden eventjes zonder een woord tegen elkaar te zeggen tot hij uiteindelijk de stilte verbrak: “Zo, hoe ben jij hier terecht gekomen?”. Ik had niet meteen een antwoord klaar en had me niet verwacht aan inhoudelijke vragen. Deze oude man vroeg niet naar mijn naam en niet naar hoe het met me ging. Ik negeerde zijn vraag en hoe vroeg hem naar zijn naam. “Hier maken namen niet uit, jongeman.”

Wat is “hier”? Ik concentreerde me verder op de weg, zodat ik niet naar de man hoefde te kijken. Zijn ogen brandden in de zijkant van mijn hoofd en zijn staar voelde ik in alle zenuwen van mijn lichaam. Hij vroeg het opnieuw: “Hoe ben je hier terechtgekomen?”. Ik verzamelde al mijn moed, zette de schaamte opzij en vroeg: “Wat is hier als ik vragen mag?”. “Hier is niets. In elk geval niets meer. Het ‘niets’ als het ware.” Mijn blik sprak waarschijnlijk boekdelen, want de oude man zei vervolgens met een verschrikkelijk depressieve stem: “Jongen, je bent dood”.

De oude man vertelde me over zijn leven. Hij was ondertussen 86 jaar en zijn vrouw was eerder dat jaar overleden. Hij was heel eenzaam geweest en kon maar met moeite denken aan zijn vrouw. “Ik zou mijn vrouw graag terugzien”, zei hij, “omdat ik haar stem zou willen horen. Haar stem gaf me altijd troost, en hoewel ze nog maar 7 maanden geleden gegaan is, kan ik me haar stem niet meer herinneren. Wist je dat de stem het eerste is dat je vergeet van een persoon?” Hij kreeg tranen in zijn ogen en ik voelde me ongemakkelijk. Ik voelde met hem mee, maar ik was nog te druk bezig met nadenken over hoe ik gestorven was, dat ik geen empathische woorden kon opbrengen voor hem. Hij merkte dat ik met veel vragen zat en begon te vertellen om me weer op mijn gemak te stellen. Hij vertelde dat hij eerder die dag gestorven was, vredig, in zijn slaap. Hij had zijn wekker gezet de vorige dag om 8 uur, ‘s morgens omdat hij de dakgoten nog moest poetsen. Ik apprecieerde zijn stem, maar ik had geen boodschap aan zijn verhalen. Mijn oog viel opnieuw op de motorkap die er slecht aan toe was. Zou ik zo gegaan zijn? Een auto-ongeluk? Het zou wel kunnen. Dat zou in elk geval verklaren waarom de auto er zo erbarmelijk uitzag. Ondertussen vertelde de oude man verder: “Mijn vrouw is gestorven aan een heel kwaadaardige vorm van kanker.  Negen maanden geleden hebben ze de kanker vastgesteld in haar keel, en twee maanden later is ze gestorven. Zo snel is het gegaan.” Er volgde een stilte die aansleepte voor een aantal kilometer, alvorens de man opnieuw vroeg hoe ik hier terecht gekomen was. Hij voegde eraan toe dat ik nog veel te jong was om al op deze plek te zijn. Ik ging met hem akkoord en zei dat ik geen idee had hoe ik aan mijn eind gekomen was. Zijn krakende stem stopte abrupt. Zijn ogen focusten op de verte. Ik wist niet meteen wat hij zag, tot we iets dichter kwamen. Een vrouw van middelbare leeftijd stond te liften. Zijn gezicht verstrakte en trok fel samen naarmate we dichter kwamen. Zijn ogen begonnen te tranen en ik stopte een vijftal meter van haar vandaan. Ik vroeg of ik haar mee mocht nemen. Hij antwoorde: “Nee, rijd alsjeblieft door, het is niet haar tijd om te gaan.” “Waarom?”, vroeg ik hem terwijl ze naar ons toe stapte. “Dat is mijn dochter.”

Ik moest naar adem snakken, aangezien ik wist hoeveel pijn dit moest doen voor hem. Hij had zijn eigen dood geaccepteerd, maar om zijn dochter in de wereld der doden aan te treffen, moest verschrikkelijk veel pijn doen. Het portier van de oude man ging open en voor een aantal lange ogenblikken was er een ijzige stilte. De oude man sloot zijn ogen en omhelsde haar intens. Ze barstten beide in tranen uit en stapten even later samen achterin de auto. Ze praatten even bij en ondertussen reed ik weer verder.

Na een ruwe 20 kilometer waren ze uitgepraat en had ik opgevangen dat deze vrouw een auto-ongeluk had meegemaakt. Ze was op een auto gebotst die uit het niets was opgedoken. Op dat moment verschoof hun focus weer naar mij: “Wat is er met hem gebeurd?” vroeg zijn dochter. “Hij weet het niet”, zei de man, “maar ik heb een sterk vermoeden dat het iets te maken heeft met zijn auto.” Ik antwoordde niet en richtte mijn aandacht naar mijn eigen gedachten. Hoe was ik hier in hemelsnaam terecht gekomen? Ik herinnerde me het grijpen van armen, machteloosheid. Ik voelde me weer op de dool. Was ik vroeger ook zo doelloos? Op een bepaald moment sprong de radio van de auto aan. Ik wist niet meer hoe muziek klonk tot op dat moment. Ik had er ook niet meer bij stil gestaan sinds ik in deze auto zat. Was ik er in gestapt of erin wakker geworden? Kon ik wel spreken van wakker worden als ik me niet meer herinnerde waar of wanneer ik vertrokken ben? Zou het zo zijn voor de rest van mijn dagen: me niet herinneren wat ik gedaan had vanaf het moment dat ik er mee klaar was. Uit de speakers van de auto klonk het volgende gedicht:

Stop all the clocks. Cut off the telephone.

Prevent the dog from barking with a juicy bone.

Silence the piano and with muffled drum

Bring out the coffin, let the mourners come.

Ik schrok me te pletter. Het was mijn favoriete gedicht.

Let aeroplanes circling moaning overhead

Scribbling on the sky the message: “He is dead”

Put crepe bows round the white necks of the public doves

Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

 Hoe komt dit op de radio? Wat heeft dit te betekenen? Ik merkte dat ook mijn medereizigers stil waren. Wat ik niet wist, was of ze stil waren door verbazing of door een plotse appreciatie voor het staaltje kunst waarnaar ze aan het luisteren waren.

He was my North, my South, my East and West

My working week and my sunday rest

My noon, my midnight, my talk, my song;

I thought that love would last forever: I was wrong.

De tranen schoten me opeens in de ogen. Bij die laatste zin herinnerde ik me Sophie, mijn liefde voor haar in al haar eenvoud en pijn.

The stars are not wanted now: put out every one.

Pack up the moon and dismantle the sun.

Pour away the ocean and sweep up the wood

For nothing now can ever come to any good.

Hoe vurig het verlangen ooit geweest is, zo zou het nooit opnieuw worden. Ik zat hier vast als een personage op televisie. Mijn liefde voor Sophie was als de veters in een schoen. Die veters kunnen hun functie opnemen in elke schoen, maar bij geen enkele van die schoenen zou het exact hetzelfde zijn. Ik had op eender wie verliefd kunnen worden en de voor- en nadelen van die liefde zouden lijken op wat ik had met Sophie, maar nergens zou mijn liefde zo sterk zijn geweest. Nergens zou het zelfs nog maar lijken op hoe ik me voelde bij haar. Het leek wel een eeuwigheid geleden dat ik haar gezien of gesproken had, maar toch kon ik haar aanwezigheid voelen in elke vezel van mijn lichaam en ziel. De radio sprong uit en werd gevolgd door een aantal kilometers van volledige stilte. De man en zijn dochter hadden gemerkt dat ik stil aan het huilen was, want na een tijdje voelde ik de warmte van de hand van de man op mijn schouder. Het was niet veel, maar het bood me troost en ik was hem dankbaar voor het gebaar. Hoelang we ondertussen onderweg waren wist niemand van ons. We wisten ook niet hoe snel we reden, omdat het grootste deel van het dashboard vernield was. Alleen de kilometerstand konden we volgen. Ik bleef nadenken over Sophie en waarom het me zo verdrietig maakte om nog maar de kleinste verwijzing naar haar te horen. Ik herinnerde me alles over haar weer: haar lieve glimlach, haar ongelooflijke uitstraling en bovenal, de manier waarop ze me begreep. Het kleinste verschil in mijn gedrag merkte ze meteen op en sprak me erop aan. Ze wist dat ik er altijd voor haar zou zijn en deinsde niet terug voor een kleine ruzie. We gaven zoveel om elkaar, dat het onmogelijk leek ooit afscheid te moeten nemen. Die dag kwam er wel. Het deed zoveel pijn om hier over na te denken. Het leek wel alsof iemand een wonde op mijn lichaam openreet met een breinaald om er vervolgens tien breinaalden in te stoppen. Stoppen. Dit moest stoppen. Ik schreeuwde het uit toen ik van moeheid flauwviel.

Ik droomde dat ik in een gevangenis opgesloten was. Maar alle logica was verdwenen. Ik wilde in het gebouw zijn, maar we waren buiten opgesloten. De tralies van de gevangenis sloten langs binnen en we waren opgesloten in de buitenwereld. Heel de wereld was als het ware de gevangenis. Er was geen spoor van de cipiers, er was geen kantine, geen erbarmelijke leefomstandigheden en toch voelde ik me opgesloten. Ik wilde uitbreken en ontsnappen, maar naar waar dan? Ik kon niet ontsnappen van de wereld. We waren met zo veel. Zo veel mensen die doelloos op zoek zijn naar een uitweg uit deze gevangenis. We sloegen op de grond en op de bomen, alvorens we met elkaar in de clinch gingen. Het was een gevecht op leven en dood en ik verloor het. Ik werd wakker.

Ik zat terug achter het stuur van de auto met de deuk in de motorkap. Achter me zaten nog steeds de man en zijn dochter. Aan de uitdrukkingen op hun gezicht zag ik dat ze zich zorgen maakten om mij. Ik keek voor het eerst naar mijn spiegelbeeld in de achteruitkijkspiegel sinds ik hier aangekomen was. Ik zag er niet uit. Het zweet liep langs alle kanten van mijn gezicht en omdat ik vuil was, liet het zwarte strepen na op mijn wangen, kin en in mijn nek. Mijn ogen hadden nog nooit zoveel wallen gekend en mijn haar hing slap op mijn voorhoofd. Ik zag ook dat er bloed drupte van mijn voorhoofd naar beneden. Was dat nieuw of had ik dat al sinds ik hier aankwam? Ik vroeg het aan de man en hij vertelde me dat ik er al zo uitzag van toen hij me voor het eerst zag. Alleen het overmatige zweet was nieuw. Ik dacht even na en besefte dat we hier allemaal aankwamen zoals we gestorven waren. Dat wil zeggen dat ik ben gestorven met en misschien door het bloed. Of tenminste door wat het bloed had veroorzaakt. Op dat moment begon het meisje te huilen. Van wat ik kon opvangen, dacht ze nu pas aan haar twee kinderen en dat ze hen nooit meer terug zou zien. Ze dacht aan haar man, die er vanaf nu alleen voor stond. Al die tijd had ze aan zichzelf gedacht en geen rekening gehouden met de personen die ze op de wereld had achtergelaten. Ik had medelijden met hen, maar ik kon geen traan voor hen laten. Hoewel de situatie schrijnend was: haar kinderen hadden zowel hun mama als hun grootvader verloren op dezelfde dag. Haar man moet vanaf nu hun kinderen alleen opvoeden en hen het verschrikkelijke nieuws vertellen. Toch kon ik niet voor hen huilen. Ik had mijn eigen problemen en daar was ik te fel mee bezig in mijn hoofd. De situatie in de auto werd me te veel. “Hou op”, schreeuwde ik tegen mijn twee lifters.

Ze schrokken zich beide dood (ironie is ook aanwezig na het overlijden). Ik keek door de achteruitkijkspiegel naar mijn twee lifters. Ik voelde me al schuldig voor het roepen, maar er moest orde op zaken gesteld worden. “Nu gaan jullie even luisteren naar mij. Ik weet niet hoe ik er kom, waarom ik er ben en zelfs: waar ik precies ben. Ik ben in paniek en jullie geklets helpt me niet. Sorry voor jullie beider dood, maar jullie zitten in mijn auto!”

De woorden waren er uit en ik besefte toen pas dat dit inderdaad mijn auto was. Aan de zijspiegels hingen de witte linten van een week geleden nog. Ik slikte. De trouw. Een week geleden was ik met Sophie getrouwd. Daar kwamen de tranen weer en ik kon er niets aan doen om ze te stoppen. Ik moest uit deze auto en snel. Het werd me allemaal te veel. Ik liet het gaspedaal los, zette mijn handen stevig aan het stuur, drukte mijn schouders naar achter in de zetel en drukte mijn voet zo hard als ik kon op de rem. Mijn hele lichaam zat klaar voor de schok die dit teweeg zou brengen, maar er volgde niks. Geen verandering in snelheid, geen piepende banden, niks. Dit was nieuw. Ik kon stoppen bij de oude man en ik kon stoppen bij zijn dochter, maar nu lukte het niet. Wat was er aan de hand? Ik keek even onder het stuur door naar de pedalen. Ze waren nog steeds alle drie aanwezig. Om te testen dat ik niet droomde, duwde ik het rempedaal nogmaals in. Niks. Nogmaals. Harder. Ik begon als een bezetene op de rem te stampen tot ik buiten adem was. Ik zette me terug volledig op mijn plaats, liet mijn lichaam even rustig terug op adem komen en keek vervolgens over mijn schouder naar de achterbank. Mijn twee lifters keken naar me alsof ik gek geworden was. Misschien hadden ze het wel bij het rechte eind.

Dertig kilometer verderop begonnen vader en dochter terug te praten. Ik had er niets meer op tegen, want ik was opnieuw in gedachten verzonken. Ditmaal niet over Sophie, maar over mijn familie. Want hoewel ik veel bezig was met mezelf, had ook ik mensen achtergelaten. Mijn vader, die toch altijd mijn grootste inspiratie is geweest op vlak van hoe je naar het leven moest kijken. Voor hem was niet het werk het allerbelangrijkste, maar hoe je geliefden naar je kijken. Mijn moeder was zijn perfecte match, omdat ze tegenpolen waren. Mijn moeder was een van de hardst werkende mensen die ik kende. Niets kon haar stoppen en ik heb altijd gehoopt dat ik een combinatie zou worden van hen. En mijn zus. Haar zou ik vreselijk hard gaan missen. We waren het dan wel vaak oneens over van alles en nog wat, maar ze had een plaats in mijn leven die niemand anders zou kunnen opvullen. Ik miste hen nu al, maar wenen kon ik niet. Er kwam geen enkele traan en ik begon me zorgen te maken. Want wat is gemis? Is de mens wel in staat om iets of iemand te missen? In hoeverre is het niet zomaar een beeld dat we hebben van iemand in ons hoofd, dat wordt gemengd met een gevoel dat van ons wordt verwacht. Zolang we dat mooie beeld in ons hoofd kunnen uitschakelen, is er eigenlijk geen reden om iemand te missen. Ondertussen had ik mezelf afgeleid met deze filosofische uitlating, zodat ik me terug kon concentreren op de weg.

Uiteindelijk kwam het moment waarop mijn twee passagiers en ik al een lange tijd hadden gewacht. De vierde passagier. Het was een langverwacht gegeven, dat begon toen mijn laatste passagier ingestapt was. De derde lifter stond op dezelfde wijze langs de lange rechte baan als de andere twee die ik reeds had opgehaald, maar toch was er iets anders. Ik kon er alleen mijn vinger niet op leggen. Ik bracht de auto heel traag tot stilstand, omdat ik eigenlijk veel te vroeg mijn gas had gelost.  Mijn ego liet niet toe om de gas opnieuw in te drukken, want dan zou ik mijn inschattingsfout moeten toegeven. Ik liet mijn handen relaxen, waardoor ze naar de onderkant van het stuur gleden tot mijn ellenbogen op mijn dijen rustten en mijn duimen alleen nog het stuur bedienden. We kwamen tot stilstand en meteen besefte ik wat er anders was dan de voorbije twee maal. Deze persoon stond te wachten aan een huis. Raar genoeg kon ik het huis alleen maar langs de voorkant bekijken. Het gaf een 2D-indruk. De neus van de auto stond parallel met de blauwe voordeur van het huis. De deur had een blinkende gouden knop in het midden en een gouden roostertje aan de bovenkant. De drie ramen waren ook in het blauw geschilderd. Het huis gaf een heel rustig gevoel en ik kon mijn ogen er niet afhouden. Er was iets met dit huis. Het gaf wel een gek zicht, omdat het gebouw zich bevond op een volledige zandvlakte. Geen tuin, geen paadjes, alleen maar zand. En een brievenbus, met daarop het nummer 11 en een naam. Mijn naam.

Ik stond stil. De deuren van de auto waren gesloten en een man van middeljonge leeftijd was al een tijdje op het rechterraam van de passagierszetel aan het tikken. Na een tijdje had ik door wat er aan de hand was en ontwaakte ik uit mijn wakkere droomwereld. Ik liet de man instappen en mijn twee andere passagiers slaakte een vreemdsoortige gil. Het was heel onderdrukt. Net alsof ze niet goed durfden gillen, omdat ze bang waren om iets onwenselijk te veroorzaken. Het kon me even allemaal gestolen worden en alhoewel ik de blik van de man in mijn schedel voelde boren, kon ik het niet opbrengen om hem in de ogen te kijken. Ik reed op de oprit van het huis, mijn huis, en bleef nog even stilstaan.

“Hoe gaat het met je?”

Ik negeerde zijn vraag, alhoewel zijn stem me heel bekend in de oren klonk. Het kon me niet schelen wat deze nieuwe passagier zei. Ik was bang om hetzelfde mee te maken als de oude man, die zijn dochter moest verwelkomen in het rijk van het niets.

“Ik heb het tegen jou hoor.”

“Ik hoorde je wel.”

“Waarom kijk je dan niet naar me?”

Ik kon het niet. Ik durfde niet. Ik wilde het niet.

“Ik heb het tegen jou”, riep hij uit.

“Ik zei dat ik je wel hoorde”, schreeuwde ik terug, terwijl ik mijn hoofd ongewild zijn richting uitdraaide. Ik zag het en ik kwam in een staat van paniek. Hoewel ik dit had verwacht, geloofde ik het niet. Ik was tegen mezelf aan het praten.

Ik was opnieuw aan het rijden, mijn passagiers waren een rustig onderonsje aan het houden. Ik zweette alleen maar erger en mijn oren begonnen rood te worden. Ik voelde mijn hartslag in mijn oren. Was dit normaal? Had ik een paniekaanval? Ik volgde hun gesprek.

“Dus hoe komen jullie hier?”, vroeg de man die op me leek.

“Een auto-ongeluk”, antwoorde de vrouw.

“Verschrikkelijk om te horen. Hoe werd het veroorzaakt?”

“Een auto kwam met een hele hoge snelheid uit de bocht gevlogen op het kruispunt vlakbij mijn eigen huis. Hij ging nog in de remmen, maar het was al te laat. ”

“Waren er nog anderen betrokken?”

“Nee, hij zat alleen in de auto en ik ook. Gelukkig maar. Toen hij de neus van mijn auto raakte, raakte de achterkant uit controle. Ik verloor de controle over het stuur, slipte weg en kwam frontaal terecht tegen een boom. Ik lig nu in het ziekenhuis, maar de dokters hebben me al een verloren zaak genoemd. De familie discussieert waarschijnlijk nu over of ze al dan niet de stekker er uit zullen trekken.”

De sfeer in de auto werd plotseling heel gespannen. Ik denk dat niemand echt wist wat te zeggen, hoe te zeggen wat ze wilde zeggen en nog belangrijker: niemand wilde iets zeggen over de nieuwe onthullingen. Ik vroeg me af wat er nog allemaal aan het licht zou komen in dit bizarre auto-onderonsje. Er was ook iets nieuw op til, waarover ik het niet wilde hebben. Sinds we van de oprit van mijn huis gereden waren, begonnen de wegen bijzonder hard te lijken op iets wat ik al eerder had gezien. Het was een weg, die te breed was om een eenrichtingsstraat te zijn, maar eigenlijk tegelijkertijd te smal was om een andere auto te kruisen. De randen van de weg waren verregaand afgebrokkeld en langs de kant van de weg stonden er eiken. De eiken stonden parallel aan beide zijden van de weg en tussen twee bomen was er telkens een afstand van ongeveer 25 meter. De bomen waren al oud, want de wortels waren zo ver gevorderd dat de wortels uit de grond kwamen en de stammen waren zo dik dat ik er soms enkele spechtengaten in kon waarnemen. We kwamen steeds meer huizen tegen, steeds meer gebouwen. We hadden ondertussen een Philips-fabriek achter ons gelaten, die toch een ruime kilometer lang was. De puzzelstukjes begonnen steeds meer in elkaar te vallen. Ik had die in die fabriek gewerkt toen ik jong was. Het was op fietsafstand van mijn ouderlijk huis en als ik me niet vergiste, dan kwamen we dat huis heel binnenkort tegen. De fabriek lag tussen mijn ouderlijk huis en het huis waarin ik samenwoonde met Sophie. Over enkele ogenblikken zouden we voorbij het huis rijden waar ik in opgroeide, met mijn vader, mijn moeder en mijn zus erin en mijn hoop begon zich te vestigen op het terugzien met de mensen die ik achtergelaten had. Misschien was Sophie ondertussen wel bij mijn ouders om mijn begrafenis te regelen. Zonder er zelf veel controle over uit te oefenen, trokken mijn mondhoeken naar boven. Het kon me niets meer schelen dat ik dood was. Ik zou hen allemaal nog eens kunnen terugzien. De man die zo op mij leek, begon te praten:

“Je weet wat er gaat komen, hé?”

“Hoe bedoel je?”

“Je lacht. Dus je weet waar we zijn.”

Snel probeerde ik de glimlach van mijn gezicht te vegen en opnieuw een serieuze blik te veinzen. Ik wilde het er niet over hebben, want ik was bang dat ik me te kwetsbaar zou opstellen als mijn vermoedens niet klopte.

“Ik weet niet goed waar je het over hebt.”

“Dat weet je wel. We zijn vertrokken aan jouw huis, we zijn jouw straat uitgereden, we hebben de Philips-fabriek gezien. Je weet wat er volgt.”

“Oké, ik weet wat er volgt. Waarom is dit zo belangrijk?”

“Omdat je er verkeerde verwachtingen van hebt. Nou ja, laat ons hopen dat die verwachtingen verkeerd zijn en niet uitkomen.”

“Ik verwacht mijn familie terug te zien. Waarom is het te hopen dat het weerzien niet plaatsvindt?”

“Denk eens na. Wij zijn hier omdat we dood zijn. Hoewel ik denk dat we inderdaad ons ouderlijke huis gaan terugzien, hoop ik niet dat papa en mama hier zijn. Laat staan Stéphanie.”

Ik kon niets meer zeggen. Het ergste was dat hij gelijk had. Ik had er niet meer bij nagedacht waar we waren en wat “hier” zijn, zou betekenen voor hen. Ik dacht alleen aan mezelf en hoe erg ik hen zou missen. Een paar seconden later kwamen we voorbij het huis. Elke vezel in mijn lichaam wilde de auto aan de kant zetten en naar het huis met de groene voordeur spurten. Ik wilde binnen gaan en mijn kindertijd terug herkennen: de stenen trap, de zwarte leren zetels, kleren die ongetwijfeld aan het drogen waren op het rek in de hal, het geluid van de grasmaaier die mijn vader om de vier dagen bovenhaalde, de geur van vers gemaaid gras toen mijn vader binnenkwam en alle lachende gezichten. Het was zo’n simpele tijd toen. De moeilijkste beslissing die ik op een dag moest maken, was of ik die dag zou voetballen in de tuin of mijn ouders zou overtuigen om een gezelschapsspel te spelen. Het mag dan misschien uitvergroot zijn, ik hield van die tijd.

Nu zit ik hier in een auto, ondertussen 611 kilometer op de teller, en ik weet niet eens waar ik ben of ik waar heen aan het rijden ben. Ik probeer enkele malen een nieuw gesprek aan te knopen, maar mijn pogingen falen en ik raak bijna in een trance van depressie. Tot ik iets voel in mijn maag. Ze trekt snel samen en ik voel een stekende pijn in mijn hoofd. Had ik dit zelf veroorzaakt? Ik had de laatste paar minuten al enkele keren aan mijn hoofd gevoeld en gekrabd, maar ik besefte of voelde de hoofdpijn nu pas. Ik werd heel duizelig en mijn handen voelden aan alsof ze van iemand anders waren. Ik kon ze niet meer controleren zoals ik wilde. De geur in de auto veranderde op een of andere manier en opeens kwam alles terug. Hoe ik ‘hier’ terecht was gekomen.

“Ik had ruzie met Sophie.”

De passagiers keken allemaal naar mij en ik voelde de druk. Ze voelden allemaal perfect aan wat ik ging vertellen.

“Ik had ruzie met Sophie over mijn roekeloze gedrag.”

“Welk roekeloos gedrag?”, vroeg de oude man.

“Het ging over mijn rijgedrag met de auto. Er was iets gebeurd die week, waardoor ze vond dat ik teveel onnodige risico’s nam. Ik kan alleen niet meer zeggen wat. Maar toen ik kwaad het huis uitstormde en met mijn auto vertrok, heeft ze gelijk gekregen. Ik heb een auto-ongeluk gehad, zoals ik al vermoedde door de staat van de auto. Ik ben op een andere auto gebotst toen ik een kruispunt opdraaide.”

Alles werd opeens heel duidelijk en hoewel dit zo voorspelbaar was, had ik er nooit over nagedacht. Ik was gebotst tegen de auto van mijn tweede passagier. Mijn schuldgevoel kon niet lang meer wegblijven nu, toch? Ik voelde niks, geen verdriet, geen schuld; ik besefte niet wat ik had aangericht. De oude man besefte dat wel en begon als een bezetene te roepen op mij.

“Hoe kon je? Je bent een verschrikkelijk mens. Je hebt niet alleen jezelf doodgereden maar ook anderen in gevaar gebracht!”

Maar de vrouw bleef kalm. Ze pinkte een traan weg, maar zei voor de rest niets.

“Je weet wat er gaat komen, hé?” zei de man die op me leek met een grijns die ik niet kon appreciëren.

“Nee. En veeg die lach van je gezicht af, want er valt niets te lachen.”

“Kom op. Zo moeilijk is het nu toch niet meer? Kijk eens waar we naartoe rijden.”

“Nee?”

Ik besefte het alweer veel te laat, maar op het einde van deze weg bevond zich het kruispunt, waar het ongeluk had plaatsgevonden. Ik was niet de enige die het besefte. Toen ik in de achteruitkijkspiegel keek, zag ik ogen van de vrouw verstrakken. Haar mond verwijdde en ze drukte haar lippen stevig op elkaar. Haar tong kwam naar de binnenkant van haar kaak. Ik vroeg me af wat ze juist inhield, tranen of woede. Wat er in het echt gebeurd was, speelde zich als een film voor mijn ogen af: ik vertrok aan mijn huis, kwaad op Sophie. Nee, niet kwaad op haar, eerder op mezelf. Ze wilde alleen maar dat er niets met mij gebeurde. En ik wist het weer. Eerder die week had ik een afspraak bij de dokter en hij vertelde me dat ik epilepsie had. De gevoelens die ik toen had kwamen nu terug. Hij vertelde me alles wat ik niet wilde horen: ik moest opletten met feestjes, met tv-kijken, met alcohol, noem maar op. Het ergste vond ik dat ik geen auto meer zou mogen rijden. Het was te gevaarlijk zei hij. Ik reed altijd rond om mezelf te kalmeren, ik deed niets liever dan autorijden en hij pakte dat van me af. Daar hadden Sophie en ik ruzie over. Zij vond dat ik me aan het advies van de dokter moest houden en dat had ik niet gedaan. Sterker nog, dat zou ik ook niet doen. Ik had de vrijheid nodig die mijn auto me schonk. Het is moeilijk uit te leggen en het was ook verschrikkelijk egoïstisch zag ik nu in. Mijn roekeloosheid had ervoor gezorgd dat de vrouw op mijn achterbank gestorven was en haar kinderen had moeten achterlaten, want net voor die bocht had ik mijn eerste epileptische aanval gekregen. Sophie had gelijk gekregen. Ze had altijd gelijk uiteindelijk.

“Misschien is het nog niet te laat”, zei ik tegen mijn passagiers.

“Wat bedoel je?”, snikte de vrouw op mijn achterbank. Haar ogen waren zo waterig dat ik me afvroeg of ze nog wel kon zien waar we ondertussen waren.

Ik zette de auto aan de kant net voor waar ik dacht mijn aanval te krijgen. Een 50-tal meter van het kruispunt. Ik stapte uit, kwam tot rust op de stoep, voelde opnieuw de symptomen van een opkomende aanval en zakte in elkaar. Af en toe kon ik nog een glimp opvangen van wat er zich aan de auto afspeelde. De vrouw was uitgestapt en probeerde mij te verzorgen. De oude man probeerde uit de wagen te klimmen, maar hij was niet meer zo goed te been. Alleen de man die op mij leek, bleef zitten. Ik was twee meter verwijderd van hem, maar ik kon alle details van zijn gezicht grondig bekijken. Hij was de enige die besefte wat ik aan het doen was. Zijn ogen keken star uit naar het kruispunt. Mijn twee passagiers waren druk in de weer met mijn welzijn, dus zij hadden geen oog voor de auto die voorbijreed op het kruispunt. Hij en ik hadden het wel gezien. Dat was het laatste wat ik zag. Drie minuten later werd de vrouw wakker in het ziekenhuis.

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s