Wolfram Vandenbergens ‘Brusselgedichten’; Een Stikstof-esque ode aan de hoofdstedelijke Jungle

‘Stikstof hommage’, luidt het bijschrift van Wofram Vandenbergens gedicht 8. Voor fans van dat Brussels hiphopcollectief zal de eerste regel van het gedicht bekend in de oren klinken: ‘April 14 2010 was een andere nacht’. Zo begint immers ook het eerste nummer op Stikstofs nieuwste plaat. Net als bij Stikstof wordt vervolgens, liefdevol maar vlijmscherp, het beeld van onze hoofdstad opgeroepen: de drank, het nevelig licht van een lantaarnpaal, ‘handgebaren van politieke dieven’. Brussel is hier ‘een beestige stad’ – in elke zin van het woord.

In feite doordringt de invloed van het collectief elk van Wolframs gedichten over Brussel. De veelvuldige alliteraties, binnenrijmen en klankassonanties, de grammaticaal ontspoorde zinnen, de spontane woordassociaties, de straattaal en de neologismen: allen doen ze denken aan de betere rap-lyrics. Gelukkig werkt deze poëzie ook zonder muzikale begeleiding. De gedichten zijn op zichzelf al doordrongen van een strak ritme en een rauwe muzikaliteit, en evoceren moeiteloos de sfeer van de métropole Bruxelloise: een ambigue thuishaven die zowel aantrekt als afstoot. Pascal Smet zou zeggen: als een hoer. Maar Wolfram Vandenbergen heeft waardevollere beeldspraak voor onze hoofdstad.

Die beeldspraak mengt vaak abstractie met concrete beelden en ervaringen uit het stadsleven – ‘Manische metro melancholie op het spoor gevonden’, ‘koele klinkers verlaten m’n warm bloed’, ‘de bass, de wiet en vergeten verdriet’, … De dichter geeft zich over aan de ‘stadsjungle’ en sleept ons erin mee. Het archetype van de onbekende man die zijn verhaal vertelt krijgt in gedicht 5 (De Stad) heerlijk poëtisch gestalte in de vorm van ‘een brussels brocadeur/geboren om (…)/rauwe schoonheid te bewerken.’ Hij vertelt de dichter botweg dat die niet in de stad thuishoort, met zijn ‘fijne woorden geen finesse enkel Vlaamse tristesse’. Hier komen klassen en culturen met elkaar in botsing. Toch wordt de fles altijd broederlijk doorgegeven, wordt er tot in de vroege uurtjes verder verteld in het gezelschap van ‘de nachtwakers, bijouxkrakers en jazzkaters’. Niet zelden worden deze nachtelijke avonturen verbonden met religieuze allusies. In (De Kerk) kronen de nachtbrakers zichzelf tot Christusfiguren, verguisde martelaars die zich laven aan ‘heilig water’ en elkaars vriendschap.

Af en toe klinkt de Stikstofinvloed al te duidelijk door, en heb je het gevoel dat de dichter nog op zoek is naar een eigen stem. Soms wordt het hiphopachtige, associatieve ook iets te ver gedreven. De ongebreidelde woordenstromen in gedicht 6 (twee keer brussel) verliezen bijvoorbeeld halverwege hun ritme en laten geen ademruimte over. De lezersaandacht verslapt en het gedicht boet aan kracht in. Maar dat ziet men al gauw door de vingers wanneer de dichter in gedicht 7 (Woensdagavond) een ontmoeting tussen twee vreemden in een ondergronds café beschrijft en erin slaagt om je als lezer het gevoel te geven dat je er zelf bij zit. Misschien zou het ook maar ongepast zijn als gedichten over Brussel allemaal vormelijk volmaakt waren. En misschien zou het, net als voor de criticasters van de stad, beter zijn voor de recensent om zich voor één keer aan de flow over te geven.

Nog één tip, lezer: haal er een blikje goedkoop Colruytbier bij. Je zal worden ondergedompeld in een bruisend oerwoud van woorden en beton. Je zal getuige zijn ‘van pijn, plezier, liefde en gevecht’. En voor heel even zijn er dan slechts twee dingen die tellen:

‘enkel cara en dit gedicht’.

Als dat niet de kracht van poëzie is.

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s