Dimitri De Schutter – Een prozagedicht

Ik heb de gewoonte om mijn deken te knuffelen wanneer ik slaap,

Het te omarmen en stevig tegen mij aan te drukken,

En mijn wang tegen het dons te wrijven, huid op stof

Volgens Freud is dat waarschijnlijk een restant uit de orale fase

Volgens mij is dat omdat ik soms eenzaam ben.

Onlangs las ik in de krant een artikeltje, gesandwicht tussen berichten over kernwapens en vluchtelingen en één of andere genocide:

“Mensen houden meer van honden dan van mensen.”

Ik geloof dat de krant De Metro was, en ik zat ook in de metro

Le métro de Bruxelles, quoi

En naast mij zat een vieille dame met een hondje in haar tasje

En ze streelde met haar hand vol rimpels en wijnvlekken, dat

Eigenlijk een ingekleurd maanlandschap was, maar da’s een ander verhaal

De zachte zwarte vacht, huid op haar, en ze drukte het tasje

Stevig tegen zich aan; ze omarmde het, en ik zag vanuit mijn ooghoeken

Drie gamins klaarstaan om die sacoche uit haar handen te rukken,

En een man die aan het manspreaden was naast een zwangere vrouw

Die rechtstond, en een man die een vrouw nafloot die niet zijn vrouw was

En de vrouw die wel zijn vrouw was die hem een klap voor zijn kop gaf

En ik dacht: “Je zou voor minder meer van honden houden dan van mensen”

En toen: “Kan je ook meer van dekens houden dan van mensen?”

Maar de waarheid gebiedt me te zeggen

Dat ik soms ook wel eens fantaseer

Wanneer ik zo’n deken in m’n warme armen omsluit

En ertegenaan wrijf met m’n snuit

Dat dat deken – niet een hond is, noch een kat –

Maar uit alle primaten van het dierenrijk

Net een mens, een jongensexemplaar,

Dat daar vredig in m’n armen ligt te slapen en

Prachtige muziek maakt met z’n adem.

Met die zoon van Adam dans ik ook wel eens

Op Piaf, Fitzgerald, Morrison of Morrissey,

Of praat ik over Dostojevski en de Odyssee

Dan vergeten we de wereld even met z’n twee

En zijn hondjes wel oke, maar tellen ze even

Niet zo mee.

Wat zouden katten er eigenlijk van vinden dat mensen meer van honden houden?

Misschien is dat waarom ze zich al eeuwenlang tegen ons gedragen als

Gebeten honden, jaloerse minnaars: aanhankelijk maar toch altijd nét dat tikje beledigd.

In Noord loopt een kat in luipaardprint achteloos een hond voorbij

De hond behoort aan een zwerver toe, de kat waarschijnlijk aan een pooier

En ik aan niemand, en ik loop rond, in een stad die van iedereen is

En waar het ruikt naar pis en wafels en er grafitti aan neoclassicistische gevels plakt:

Justice for Syria”, maar het kan ook Libya of Yemen zijn,

Of ook weer wat anders, ik heb vandaag m’n bril niet op, maar ik zie wel

Dat de zwerver een hond heeft én een deken, lucky bastard, denk ik

Terwijl ik genoeg in zijn potje werp om eten van te kopen, of een sigaret (soms is dat hetzelfde)

En ik wil hem vragen of hij ook niet soms dat deken vasthoudt als een kind

En wegdroomt, maar hij heeft het om zich heen geslagen en hij rilt; het is koud

Dus ik hou gauw m’n mond –wegdromen bij een opgefrommeld, liefdevol

Omarmd deken: ook dat is gewoon een privilege.

Het beste aan het deken is: het liegt niet, het bedriegt niet

En ligt altijd voor je klaar; dat klinkt erg tumblr

Maar het is wel waar – misschien gaat het na een tijdje

Wel wat rafelen, maar zelfs een gerafeld deken past nog prima

Onder een mensenarm. Er zijn plekken op de wereld waar ze

Waarschijnlijk niet eens dat hebben: een simpel

Versleten deken. Soms, wanneer ik daar zo lig, denk ik

Aan de oorlogskinderen; waar zij zich ’s nachts aan vastklampen

En dan voel ik me schuldig, met mijn naar Dash geurend

Witter dan wit deken, en dan surf ik wel eens naar een nieuwssite

En like ik een opniestuk hier of daar dat pleit

Voor een humaan asielbeleid en propere dekens

In opvangcentra. In het digitale tijdperk volstaat

Zo’n virtueel gebaar om je geweten te sussen –

Dat zou naar ’t schijnt de schuld zijn van de sossen.

Tegenover l’église du Sablon zit ik aangestaard te worden in een koffiebar met grote ramen,

Het hippemensenequivalent van een apenkooi, maar hier mag voeren wel, bij voorkeur

Met caffeïne, dat ook altijd een beetje een deken is, maar da’s een ander verhaal, en

Eén voor één stal ik op mijn tafeltje uit: een ongemarkeerde cursus, twee onafgewerkte papers, een zakdoek voor eventuele tranen

Terwijl ik me in gedachten buig over een belangrijke academische kwestie:

Na drie jaar empirisch onderzoek heb ik besloten dat tinder niet de ideale plaats is

Om liefde te vinden. Net wanneer ik op die inval kom zie ik vanuit mijn ooghoek

Een vrouw azen; ze is niet oud, ze is geen zwerver, en vermoedelijk ook geen prostituee

Is ze getrouwd? Ik weet het niet, maar ze heeft geen hond, of toch niet bij zich,

En ook geen ander dier, ze is geen hangjongere en ook niet zwanger, en ze heeft niets

Van een oorlogsslachtoffer – eigenlijk is het een vrouw van wie je niet meer kan zeggen

Dan dat ze een vrouw is die geen stoel heeft, en ze aast op een stoel, bijvoorbeeld zo eentje

Als er aan mijn tafel staat, en ze steekt haar hand er al naar uit maar vraagt toch, beleefd,

“Vous êtes seul?” De vraag raakt me diep vanbinnen en ik denk diep, heel diep na, besluit:

“Malgré les apparences, personne n’est seul dans ce monde, madamme.”

 

Ja, ik heb de gewoonte om mijn deken te knuffelen wanneer ik slaap,

Het te omarmen en stevig tegen mij aan te drukken,

En mijn wang tegen het dons te wrijven, huid op stof

Wat Freud daarvan zou denken kan me eigenlijk niet schelen –

Ik ben ook maar een jongen in een hele grote wereld.

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s