LANDJUWEEL 2019 – Officiële tekst van Antwerpen

ANTWERPEN – Ans Van Gasse, Sara Breugelmans

 

 

Ik heb eens een keer veertig dagen geslapen. Door dromen wakker gehouden. Er was een meisje.

Ze had knopen waar haar ogen moesten zijn, een gouden huid en lippen van papier. Wanneer ze sprak wist ik hoe het was om te sterven.

Daarna heb ik zestig dagen geslapen. De schoonmaakster kwam me wakker knijpen, ik zei nee.

Het meisje vertelde me over haar papieren lippen. Zo gegroeid door de tijd en de liefde, zei ze.

Hoe die haar eeuwig uitputte maar evenwel haar huid van massief goud had geschapen.

 

Bij elk woord dat ze sprak, scheurden haar fraaie lippen als herfstbladeren onder de voe-  ten van een kleuter.

Zien kon ze niet meer, met die knopen ogen, en plots wist ik   hoe het was om te zien. De lijnen van mijn vingertoppen, mijn voeten, een gezicht, een graankorrel.

Zo spraken we voor veertig dagen. En daarna honderd. Ik ging haar achterna, maar nee. Ooit zijn we wakker.

Ze blonk in de ochtendzon, het goud als een schitterend gewaarworden van de wereld. Het meisje van goud en papier was klaar om te sterven.

Ik wist nu hoe het was om te sterven.

 

 

 

 

Op die dag nam ik uw hart in mijn handen en zei ik dat het van mij was. Soms kneep ik te hard tot het ging bloeden. Soms stak ik het in hoog kwaliteitspapier en hield ik het voor da- gen zo. In mijn koelkast. Met veel zorg hield ik wacht aan de keukendeur, tot de dag dat jij het toch zou komen opeisen.

 

Maar uw hart bleef van mij en ik dacht er na enige tijd aan ook het mijne uit mijn ribben-  kast te snijden en op uw hoofdkussen te leggen. Mijn inherente nood om te ademen hield me tegen. Ik stak het mes dat ik had uitgekozen in een zakje, net zo vacuüm afgesloten als het hart in mijn keukennoordpool, opdat ik er nooit meer aan zou denken. Uw hart was van mij en het mijne behoorde toe aan mijn onzekerheid.

Er waren maanden van donsdekens en warmteforten, witte lakens die leken vast te kleven aan mijn linker-  en meest stuiptrekkende – been. Ik zag die dagen weinig. Ik hield mijn  ogen dicht om niet te hoeven zien of ik dit keer weer uw hart in een bloedbrei aan het knij- pen was of het netjes tegen mijn borst hield.

Op een dag durfde ik met één oog het uwe te begluren. En ik zag hoe een grijns mijn twee- de oog openduwde.

Ik zag u.

 

Ik zag u met warrig haar en een donsdekencape.

 

Op die dag nam ik het mes en sneed mijn hart in twintig stukken die alleen gij bij elkaar kunt rapen.

 

 

 

 

Soms ben ik zo eens even ongelukkig.

 

Dan klatert alles om mij heen naar beneden.

 

En dan zie ik door het bos de bomen niet meer. Zo van die dingen. Maar anders ben ik altijd gelukkig.

Ze noemen mij wel eens een zonnetje. Een geluk.

Kinds.

 

Blij.

 

Ik zorg voor alles om me heen, als vogeltjes met gebroken vleugels. Of dat probeer ik toch.

 

Ik wikkel hun vleugels in zacht papier en laat het bloed lekken tot daarmee alle pijn verdwe- nen is. Of zo deed ik dat toch.

Dan raapte ik een vogeltje op, snelde naar binnen. Eentje die ik beter kon maken.

 

Soms ben ik zo eens even een gebroken vogeltje. Dan wacht ik op een kind om mij op te rapen.

En dan zien ze door het bos de bomen niet meer. Zo van die dingen. Maar dan komen ze niet.

En dan blijf ik zo even ongelukkig, stil.

 

Dan is dat allemaal ook weer vlug gedaan, hoor. Maar gedane zaken nemen geen keer. Dan voel ik me zo even alleen.

Dan wacht ik.

 

Raap mij op, alstublief.

 

 

Maar eigenlijk ben ik heel gelukkig. Kinds. Blij.

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s