Lukas Kestens – Milch mit Hönig

Milch mit Hönig
Mijn ode aan Leipzig en een vorig leven

1

‘Nächste Haltestelle: Felsenkeller’, deelt de tramdame ons mee op een uitgedroogde toon. Het vaartuig mindert vaart en het gestaag afremmen doet het vluchtige tempo waarmee de schaduwen door het tramstel dansen dalen. Veel zon vandaag. Ik voel het aan de eerste zweetdruppel die zich onder mijn haarlijn vormt. Alles buiten blinkt. De zonnestralen doen de haast verborgen glasscherven oplichten. De straten liggen er hier vol van. Kleine glasdiggels die elke dag opnieuw opzij worden geveegd om Prins Fiets een glasvrije en zorgeloze doorgang te verlenen.
Door het felle licht wordt het verbloemde straatbeeld van daarjuist doorprikt.
Mijn onbewust indommelen wordt door het knarsen van de natgeregende tramsporen abrupt een halt toegeroepen. Voordat ze zich enigszins stabiel open weten te sperren, hebben mijn ogen een twintigtal knipperingen nodig. Ik kijk om me heen en laat ze uiteindelijk op het lappendeken aan kleuren rusten aan mijn rechterzijde.
De sjofele man die naast me zit wordt nog een niet te onderschatten hindernis, merk ik op. De stank van al het verzamelde leeggoed in zijn beide winkelzakken baant zich een weg door mijn neusholtes en brengt me terug in het hier en nu. Hier: Leipzig. En nu: bijna afstappen.
Terwijl de zonnestralen door de bomenrijen langs de weg de tramwagon afwisselend binnendringen en het rijtuig zo tot een slecht verduisterde discotheek omtoveren, voel ik dat mijn oogkassen zich onder het teveel aan impulsen vergroten en mijn pupillen zich maar met moeite opensperren onder het trekken van mijn wallen. Vannacht was het laat. Veel licht en raar volk. Het Institut für Zukunft
leek wel een kopie van de Klub die ik voor het eerst in Als wir träumten zag: een vorm van goed verborgen escapisme. De muziek werd er gisteren zoals gewoonlijk door opzwepende beats gedragen, zodat de nacht me eindeloos aandeed en het leek alsof ik de slaap nooit meer zou vatten. Het verzuurde lichaam waarop mijn bekaterde hoofd momenteel rust wist stiekem beter en voorspelde mijn huidige toestand eigenlijk al

toen het vannacht subtiel enkele braakneigingen door mijn keel deed razen. Het braaksel bleef jammer genoeg ergens halverwege steken, waardoor ik me vandaag maar zwakjes voel. Paradoxaal, deze redenering, maar wel waar.
Met enkele geroutineerde bewegingen controleer ik in een flits de inhoud van mijn jas- en broekzakken. Check. In een enkele oogopslag probeer ik vervolgens de afstand van mijn zitje tot de schuifdeuren in te schatten. Een meter of tien. Haalbaar, denk ik. Belangrijker zijn echter de obstakels op het (gang)pad er naartoe, te beginnen bij die gezette Obdachloser naast mij. ‘Felsenkeller’, klinkt het wederom, ditmaal korter en krachtiger, maar nog even monotoon als zojuist. De tramdame heeft duidelijk haar dagje niet. Of beter: had haar dagje niet, toen ze elke haltenaam in de opnamestudio moest uitspreken alsof ze het saaiste examen dictie ooit onderging.
Zoiets beeld ik me toch in, vaak in een halfslachtige tegenreactie op het feit dat we vaak dreigen te vergeten of negeren hoe alles tot stand komt.
Ik probeer de buitenwereld door de door zon overgoten tramwagon te aanschouwen, maar tevergeefs. De tram remt abrupt en de sporen piepen. Met moeite zet ik me recht en besef ik dat ik net nú niet meer weet hoe me in het Duits te excuseren voor de tien gênante seconden die me te wachten staan. Ik besluit dan maar geruisloos over de slapende buurman te klauteren, raak onderweg echter een paar van zijn Pfandflaschen waardoor ook hij uit de doden ontwaakt en mij iets onverstaanbaars toesnauwt. Het Saksische dialect speelt me nog steeds parten.
Onverstaanbaar gemurmel, sinds dag één van mijn verblijf hier. En nu al minstens vier maanden lang.

Terwijl ik dit alles doorsta kijkt een verschrompelde man me indringend aan. Het voelt alsof hij met zijn scherpe blik mijn masker doet afvallen. Ik ben inderdaad niet van hier, Duits is niet mijn moedertaal, ik ken de tramhaltes nog niet vanbuiten en gebruik de verkeerde woorden in de verkeerde context. Scheiße. De man doorprikt met zijn glazige ogen mijn poging authentiek Leipziger te zijn. Of hij vervloekt in stilte de jeugd van tegenwoordig.

In een klunzige ontwarring van de koptelefoonkabels waarin ik verstrikt geraakt ben, porren mijn armen onbewust andere en vooralsnog onbekende armen. Terwijl ik iets mompel dat op Entschuldigung moet lijken, schuifel ik langs de andere passagiers, die mij, als was het zo bedoeld, in bosjes lijken op te wachten. Ik voel me bekeken, alsof ik me in een verborgen cameraprogramma bevind en er zich een samenzwering van omstaanders rond mij vormt.
Het verschil tussen de locals en mijzelf, als kortstondig immigrerend Erasmus- student, wordt me meteen daarop pijnlijk duidelijk. Terwijl ik bij het betreden van het vaste land (lees: Gehweg) een hoorbare zucht van opluchting slaak, springen de Leipziger al lachend en complexloos het tramstel uit. Waarschijnlijk opgelucht omdat hun samenzweringspoging door mij niet meteen is ontdekt.
Zelfs de in mijn ogen veel te jonge moeder, die zonet haar buggy inclusief baby uit de wagon heeft getild, geeft niet de minste blijk van stress of gehaast. Iets wat mij inherent ontbreekt en bijgevolg jaloers maakt. Stik-ja-loers. Het woord onthaasting las ik namelijk al meermaals in krantenartikels, feelgood-magazines en internetblogs

van mensen met een burn-out. Het zou zo veel betekenen als ‘het rustiger aan doen’.
Maar, wat rustiger aan doen? Dat wordt nergens gespecificeerd. In mijn geval zou die ‘het’ zowat mijn hele dag kunnen omvatten: een aaneenschakeling van maar half lukkende onthaastingspogingen die door de kleinste onverwachte prikkel in ongewild gehaast veranderen, vergelijkbaar met mijn schaduw die bij elk voorbij drijvend wolkendek van de straatstenen dreigt te verdwijnselen.
Het nietsvermoedend ontwaken ín en mijn verwoede ontsnappingspoging uít de
tram die daarop volgde vatten mijn verwezenlijking van onthaasting perfect samen: willen maar niet kunnen. Misschien ook te weinig willen. Alleszins, het ontbreekt me inherent en daar bestaat geen medicijn voor. Soms waan ik me een alcoholverslaafde in een ontwenningskliniek, die dagelijks meer dan tien keer hervalt, of een hardleerse voetbalspeler, die tegen beter weten in zijn tiende rode kaart van het seizoen pakt.
Gelukkig ben ik enkel haastverslaafd, en speelt alcohol hierin geen enkele rol. En al zeker geen harddrugs.
Want als ik mensen vertel dat ik mijn dagen in Leipzig slijt, ontwaar ik vaak een geniepig lachje rond hun mond. Bij Leipzig denken ze aan Oost-Duitsland, bij Oost- Duitsland aan Berlijn, Klubkultur, harde deutsche en foute techno, aftandse gebouwen en graffiti, krakers en anarchie, extreem-links en stiekem ook ondertafelgeveegd neonazi-gedoe. Oh ja en natuurlijk pillen. Pillen en snuifsel in alle maten en vormen. Ik kan ze geen ongelijk geven. Negenennegentig procent van hun
associaties blijkt te kloppen. Maar pillen? Nein. Niet dat ik het nog niet zag, integendeel. Zowat elke nachtelijke escapade wordt ermee gekleurd en biedt de gelegenheid ermee in contact te komen. Ik neem ze gewoon niet. En dat doe ik bewust.
Waarom? Ik zag overlaatst een man die zijn lichaam in de vroege uurtjes liet voeren door de opzwepende techno, waar op het eerste gezicht natuurlijk niets mis mee was. Kanttekening: zijn lichaam werd slechts door een strakke latex string bedekt. Daarom dus. Je weet maar nooit waartoe die clandestiene pillen je in
staat stellen. Jij niet, ik niet. Die man hoogstwaarschijnlijk ook niet.

Te midden van de chaos die er bij een tramhalte in spitsuur steevast ontstaat, wurm ik me schijnbaar zelfzeker richting zebrapad. Vanaf dit punt zou ik de weg zonder aarzeling moeten kennen. Wanneer ik doelloos over mijn schouder kijk, kruis ik nogmaals de blik van de verschrompelde man. Hoewel ik uiterlijk (lees: gedompeld in tweedehandskleding) probleemloos voor een authentieke Duitser zou kunnen doorgaan, lijken mijn gedragingen me bij de man te verraden. Teleurgesteld stop ik aan de zwart-witte pianotoetsen die de straat kleur geven.

2
Ondanks de ondertussen overvloedig aanwezige zon voelt het guur en koud aan hier ergens tussen Plagwitz en Lindenau. De wind botst hier op geen enkel reliëf en snijdt naar believen door de brede lanen uit een communistisch verleden. Aan de Zebrastreifen tuur ik geduldig naar het rode Ampelmännchen dat met opgestoken arm en hand de mensen gebiedt te wachten. Duitsers wachten dan ook bij een rood licht, plichtbewust. Zelfs als van Koning Auto elk spoor ontbreekt.
Ik loop mee, of beter wacht mee in het gareel, hoewel mijn benen de nostalgische drang voelen zich illegaal naar de andere kant te begeven. Voor een Leuvenaar zoals ik zijn zebrapaden dan ook rein symbolisch, haast overbodig en van hun praktische nut ontheven.
Aan de overkant is de Vleischerei nog niet open. Tot voor kort wist ik niet eens van haar bestaan af. Het vervallen gebouw in kwestie steekt af tegen het aangrenzende nieuwbouwpand, of wat daar van overblijft tenminste. Beide doen leegstand vermoeden. Het enige wat hen daarnaast verbindt is het ontiegelijk grote aantal aanplakbiljetten, posters, stickers en graffititags dat hen bekleedt, bijna verwarmt.
Het aangezicht is bizar en deed me bij mijn eerste omzwervingen door de stad onwennig aan. Nu ben ik er echter aan gewend en lukt het me zelfs enige appreciatie op te brengen voor deze wirwar aan stijlen en kleuren. Het is een niet weg te denken uiterlijk kenmerk van deze oude DDR-stad, waar Plattenbau en soberheid een deel van het straatbeeld lijken te beheren en waar het verleden en heden onlosmakelijk verbonden zijn.
Instinctief lijkt alles onbewoonbaar en aftands. Gebouwen met dichtgetimmerde ramen, versleten en bruin geblakerde rolluiken en een onvindbaar huisnummer door het overvloedig aangebrachte aanplakmateriaal zijn hier schering en inslag.
Maar achter de bekladde vensters en krakkemikkige deuren huist er gewoonlijk
een vleugje Gemütlichkeit van een aard die ik niet gewoon ben.
Ik zal nooit vergeten hoe ik in Noch Besser Leben, een café dat ik de eerste tig keer uit onwetendheid en door zijn dusdanig aftandse en verrimpelde uiterlijk

gewoon voorbijliep, met een jongeman aan de praat raakte die stoned en dronken naast me postvatte met een verfrommeld A4 in zijn hand. Hij was ongeveer even jong als ik en viel (mij alleszins) op door zijn geforceerde pornosnor en een outfit die hij voor slechts enkele euro’s op de Flohmarkt of ergens halverwege de Merseburger Straße leek te hebben gekocht. De zwartgeblakerde wallen onder zijn kleine roodgekleurde ogen hadden iets weg van een overdadig opgemaakte travestiet. De huid van zijn getormenteerde gelaat stak af tegen zijn jeugdige en naïeve uitstraling. De jongeman voelde zich duidelijk thuis in deze Kneipe, een plek waar je per minuut het equivalent van de hoeveelheid vrijgekomen verderfelijkheid uit drie sigaretten leek in te ademen.
Pas nadat ik hem een slappe sigaret had gerold, durfde ik te polsen naar het geheimzinnige A4 dat omgekeerd voor hem lag. Trots draaide hij het blad om en wees met zijn vinger naar een afzichtelijke pasfoto die in twintigvoud op het A4 stond gedrukt. ‘Es sind Aufkleber‘, lachte hij, terwijl zijn stem zich stilaan het timbre van een stukje schuurpapier leek toe te eigenen. ‘Mit meinem Kopf drauf, Alter‘, voegde hij er plechtig aan toe.
Stickers dus. Stickers van zijn eigen – de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen – afzichtelijke pasfoto’s. Om achter te laten welteverstaan, overal waar hij kwam: in elke bar, op elke toiletdeur, elk verkeersbord, elke trambel, fietsbel of stoeprand, nieuwbouw of menukaart. Als ik de jongeman bekeek, leek hij mij er zelfs toe in staat zijn artificiële zelfportretten nietsvermoedend op mijn voorhoofd te plakken. Een flierefluiter eerste klasse. En toch ook gemütlich.

De barman in Noch Besser Leben kijkt me vragend aan, ‘Kroltitzer?‘. ‘Ja, genau‘, mompel ik terug. ‘Ja, genau‘, herhaalt de barman meermaals op een treiterige toon. Terwijl hij in de frigo rommelt probeer ik zijn irritante opmerking zo snel mogelijk te vergeten.
Voor hij het halve literflesje in ruil voor enkele munten in mijn hand drukt, wijst hij met zijn vinger naar het etiket, waar de naam van het brouwsel in oubollige letters geschreven staat. ‘KroSSStitzer, meinst du‘, zijn vinger rust op een verticaal afgebeelde letter die ik als een L lees, maar hij nadrukkelijk als een S uitspreekt. Uit schaamte maak ik me er met een goedkoop lachje vanaf.
Wanneer de tafel met mijn Erasmusvrienden in een Engelstalig gebrul uitbarst, concludeer ik dat niet alleen mijn inburgering met vallen en opstaan gaat.

3.jpg
Ik passeer nu de Vleischerei en verlang in stilte naar de Fritz-Melonen die ik er gewoonlijk gretig uit de koelkast graai, om van de zelfgemaakte Vöner en Pommes Frittes nog maar te zwijgen. In een reflex kijk ik naar de overkant, speurend naar het straatnaambord dat mijn aandacht opzuigt telkens ik hier voorbij wandel. Ik moet niet lang zoeken: ‘Zschochersche Straße’ valt er af te lezen. Na zo veel maanden heb ik nog steeds geen idee hoe het uit te spreken. In plaats van mijn pas te vertragen en rustig de tijd te nemen om de spelling van de straatnaam andermaal te absorberen, besluit ik gedecideerd door te lopen om vooral geen argwaan bij de verschrompelde man op te wekken. Ondertussen wenkt Café Kater.
De koffiebar bevindt zich eigenlijk nog in het begin van deze eindeloze straat, waarvan de tramsporen als littekens kriskras in het asfalt zijn getrokken. Een eind verderop worden de stroken van rijhuizen sporadisch door leegstand, wildgroei of maanlandschap onderbroken en staat er een oud fabrieksgebouw al ettelijke decennia onder het gewicht van gebruikte naalden en vochtige matrassen te verkommeren.
Verder wordt er in de Zschochersche Straße vooral gegeten en gedronken. In deze smeltkroes van Maghrebijnse thee- en kebapzaken is Café Kater een oase van rust die vooral jonge starters, hippe ondernemers en verliefde koppels charmeert. En mij dus ook, een student die soms wanhopig één van hen hoopt te zijn en bijgevolg regelmatig in de meest authentieke omgevingen infiltreert, waar ook Café Kater toe behoort.

De houten bankjes op het voetpad vertonen hier en daar nog vochtige plekken van de ochtendlijke regenbui, dus besluit ik binnen plaats te nemen. Wanneer ik mijn gsm uit mijn jaszak vis om het hiphopgeweld van mijn Spotify-afspeellijst te pauzeren, valt mij vooral de leegte op het schermpje op. Geen spoor van een berichtje, geen teken van leven.

Het zou een onverwachte toegeving langs haar kant betekenen. Het voelt nog steeds vreemd aan, het is dan ook nog maar net gebeurd. Sinds kort ben ik hier eenzamer dan ooit. Ver van huis en vooral van haar. En niets dat me dat kan laten vergeten. Ook de minzame blik van de barvrouw wanneer ze mijn bestelling voor me neerzet brengt niet de verhoopte troost. ‘Danke schön‘, fluister ik. Vreselijk hoe de digitale stilte mijn gemoed zo op de proef weet te stellen.
Voordat ik mij aan de witte schuimkraag waag, pluk ik de nagelnieuwe e-reader uit mijn rugzak en roer met mijn andere hand het goudkleurige visceuze breitje om op de bodem van het glas. Goudgele slierten werken zich door de dichte witte massa omhoog, waardoor het geheel een zachte beige kleur krijgt. Het glas is net warm genoeg om mijn handen te laten bekomen van het kille klimaat dat Leipzig rond deze tijd in een winterslaap heeft gelegd.
Met herboren vingertoppen scrol ik door mijn digitale boek en herbegin ik op bladzijde vijfenvijftig in de hoop even te kunnen verdwalen in de wondere wereld van woorden.

Ik krijg jammer genoeg de kans niet het eerste woord te lezen want de verschrompelde man stapt Café Kater binnen. Hij is wel de laatste persoon op aarde die ik hier verwacht. Dan nog eerder de tramdame, met haar uitgedroogde stem (en intonatie) zou ze een scheutje stemsmeerolie in de vorm van een koffie best wel kunnen gebruiken.
Nu er geen passagiers tussen mij en de man zwermen, valt het mij op hoe traag hij zijn lichaam beweegt. Als een schildpad heft hij zijn hoofd een tweetal centimeter uit de kraag van zijn leren vest en speurt hij van links naar rechts de koffiebar af. De aanwezige koffieslurpers kijken door het klingelen van de deur kort op. Mijn blik daarentegen blijft aan zijn schildpaddenbeweging vastgekluisterd. Ik heb zo’n vaag voorgevoel dat hij mij zoekt.
In de glooiing van zijn handpalm rust een bruine portemonnee met een afgebleekte schijn die me onmiddellijk vertrouwd voorkomt. De oude hand met mijn compact verpakte identiteit (lees: een bankkaart, enkele pasfoto’s, zowel van haar als van mij, een lokale trampas, een verzameling aan klantenkaarten voor allerhande koffiebars, een Leuvense studentenkaart, een polaroid van een onbekende Chinese op een brug in Parijs en een hoopje kleingeld naast een briefje van vijf euro) beweegt zich simultaan met het oude hoofd in een gezapige schwung. Hij lijkt wel een bedelaar die zonder het te beseffen zijn opbrengst voor de dag al in zijn hand etaleert.

Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een anonieme armoezaaier zijn geluk zie wagen in een café of snackbar vol ongeïnteresseerde klanten. Voordat ze uitdrukkelijk om een aalmoes vragen, proberen ze doorgaans de schijn van toevalligheid hoog te houden door ofwel een zinloos gesprek met je aan te knopen, ofwel een überdomme vraag te stellen. Wanneer ze dan merken dat je totaal overrompeld bent (en ook met je rug tegen ’s werelds ongemakkelijkste muur staat) happen ze toe als walvis op plankton: traag maar gulzig. Uiteindelijk ontdoe je je best van het dwarse gezelschap door het gesprek abrupt stop te zetten, de ‘toevallige’ drastisch te negeren of hem op zijn vuile spelletje te wijzen: als klant ben je in zo’n situatie namelijk (soms letterlijk) in een

hoekje gedreven. Daar misbruik van maken is een stap te ver, dacht ik die keer dat het ons in de Vleischerei overkwam.

Nu de verschrompelde man nagenoeg de hele inboedel van het café heeft afgespeurd, en ik hier als bij wonder onopgemerkt ben gebleven, trekt hij met moeite zijn tweede hand uit zijn floeren broekzak. Bij gebrek aan bril en goede ogen brengt hij de hand met een nieuw voorwerp (dat ik meteen herken) tot luttele centimeters van zijn tot spleetjes gereduceerde blik.
Afwisselend kijk hij naar de identiteitskaart in zijn hand en de cafégangers, van wie ik de enige aandachtige lijk. Na kort struisvogelachtig op- en neergekijk ziet de man me. Hoewel ik hem al sneller uit de nood had kunnen helpen ben ik als verstijfd. In één hand rust nog steeds de e-reader, terwijl mijn andere het lepeltje in het glas stilhoudt en zo het goudkleurige breitje weer mooi naar de bodem van het glas laat zakken.
Loe..Loekas?‘, leest de man op mijn identiteitskaart af. Eindelijk ziet hij de gelijkenis tussen de gedateerde pasfoto en de persoon die hem van aan een tafeltje argwanend aanstaart. Ik kom terug onder de levenden en steek als reflex mijn hand met het plakkerige lepeltje de lucht in. Druppels zoete melk landen op de hoofden van enkele tafelzitters. ‘Verdammt noch mal!’, wordt er gefluisterd. Mijn taalvaardigheden laten het plots afweten. Ik stamel, ‘ja‘ en tover een glimlach op mijn smoel.

‘Robert, angenehm‘, de man wilt een van mijn handen schudden, tevergeefs. ‘Lukas, angenehm. Maar ja dat wist u natuurlijk al, door mijn identiteitskaart, bedoel ik’. De woorden vloeien ongecontroleerd uit mijn mond. ‘Neu hier?‘, wilt de man weten. Ik versta hem in eerste instantie niet. Op deze conversatie ben ik allesbehalve voorbereid.
Achso! Ja, nieuw. Sinds een paar maanden. Erasmusstudent…ben ik. Ik
bedoel dat ik Erasmusstudent ben. Eigenlijk woon ik in de Südvorstadt, maar ik kom graag naar deze buurt om rond te hangen.’ Ik heb me herpakt.
De man is opvallend vlot, in tegenstelling tot wat ik op basis van mijn eerste observaties in de straat verwachtte. Hij toont zich geïnteresseerd in mijn levensverhaal maar behoudt de nodige afstand. Ik voel niet per sé de neiging hem zoals de ‘toevallige’ bedelaars af te wimpelen. Deze ontmoeting geeft de dag een onverwachte en interessante wending.
Ondertussen is de honing al goed door de melk geroerd. Om mijn dankbaarheid te uiten heb ik er de verschrompelde man ook een gekocht met het geld dat hij gelukkig niet uit mijn portemonnee heeft genomen. Stel je voor. Dat zou nog eens een voorbeeld van ‘op heterdaad betrappen’ zijn.
Nerveus frunnik ik aan het zwarte hoesje van mijn gsm. Te pas en te onpas controleer ik mijn inbox. Het gesprek valt stil. De man wijst naar mijn gsm:

Bist du glücklich hier?‘, hij kijkt me nieuwsgierig aan.

‘Euh. Ja, dat denk ik wel?’, vraag ik hem terug terwijl ik onbewust de pose van Rodins ‘Denker’ aanneem.

Stilte. De onzekerheid in mijn antwoord en mijn houding is ook de verschrompelde man niet ontgaan. Zo onzeker zelfs dat mijn antwoord zich op de grens tussen vraag en antwoord bevindt. Ik krab aan mijn linkerslaap.

‘Lastige vraag’, ik doorbreek de stilte met een meta-opmerking. Classic. ‘Vraag me dat op het einde van mijn Erasmuservaring nogmaals’, stel ik hem voor. Puur hypothetisch natuurlijk en tegelijk best clichématig. De kans dat ik deze man in de uitgestrekte stad die Leipzig is nog eens tegen het lijf zal lopen is quasi nihil. Toch lijkt het de conversatie in een aangename plooi te leggen. Zonder me in bochten te hebben moeten wringen heb ik haar zelfs uit de conversatie kunnen weren.
Ik gooi het over een andere boeg en snijdt het onderwerp DDR aan. De ogen van de man lichten op. Over persoonlijke dingen zal er vandaag langs mijn kant alleszins niet gepraat worden.

Zelfvoldaan drink ik een eerste slok van mijn ondertussen afgekoelde Milch mit Hönig en toast in stilte op de stad en de liefde die ik er ben verloren.

Advertenties

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s