Hannah Thijs met ’n A4’tje

Op een Ijslands gelijkend strand, zonder al te veel zand, weinig aards, waren zij. Buitenwerelds veel water, weinig licht. Er was wind op deze plek omdat er maar weinig tastbaars was. Het was vooral heel donker, al scheen er wel een beetje licht, beiden niet wetende waar het vandaan kwam, beiden ongeïnteresseerd in dat feit. Ze zwommen door ontelbare zachte golven. Op deze plek in een universum onbekend, vertrouwden water en mens elkaar. Ze vloeiden door elkaar en over elkaar en met elkaar. Alsof het een dans van herkenning en respect was. Deze twee mensen, nieuwsgierig naar onaardse oorden, gerustgesteld door de eenzaamheid van het water, dansten met de golven. Zij keken naar elkaar. En de ene voelde een soort binnenshuidse, bloeddoorstromende, buikglimlach. Zo’n soort specifieke glimlach was haar al eerder overkomen, maar het was een vage herinnering. Haar mond vertrok geen spier, maar haar lichaam schaterlachte. En ze vroeg zich af of hij dit ook voelde. Maar hij zou zich nooit zomaar laten doorgronden. Zijn zeeën gingen te diep. Ze zwommen onderwater, terwijl ze zich geknuffeld voelden door het donkere, als een koud deken. Wanneer ze boven water kwamen, werden ze dankbaar begroet door een briesje. Wind en water houden van elkaar, dacht ze. Ze doen elkaar bewegen. Wat mooi, dacht ze. En ze zwommen verder. Aan de rand van het water, of van de plek, of misschien zelfs van het universum, was het koud. En het water bevroor, naar boven toe, alsof het de lucht, de wind wou ontdekken. De trap van ijs nodigde hen uit en ze beklommen de weg omhoog. Vanaf daar konden ze de sterren erg helder zien. Al kijkend naar deze lichtpuntjes, dacht ze; deze plek in het universum is zo anders niet. Op deze bijzondere plaats, zo hoog boven het water, zo vangbaar voor wind, waaiden hun haren in dezelfde richting en voelden ze zich zo samen in hun individuele bestaan. Ze hielden van elkaars tegenstrijdigheid, omdat het zo goed samen ging. Samen konden zij golven maken. Ze konden zo’n grote golven maken, dat ze er zelfs van schrokken. Ze wisten soms niet wat ze met elkaar deden, wat een effect ze op elkaar hadden. Maar ze voelden altijd dat hun golven speciaal waren. Daarboven op de ijstrap, zo hoog boven het water, hielden ze zoveel van elkaar. Ze kusten. Innig, intens en samen alleen op de wereld. Ze lieten zich vallen in het water, tijdens de val voelende dat de lucht hun geen steun zou bieden. Maar het water ving hen op. Daar, onderwater, merkten ze dat de heldere sterren mee naar beneden waren gevallen. Ze hadden elk al hun plekje gevonden in de golven en aan de zeebodem, alsof ze dit hadden voorzien, láng voor de aankomst van deze twee mensen. Zij twee waren omringd door lichtpuntjes. Deze bubbel van sterren was een heel spektakel. Een onaards mooi schouwspel. En de twee mensen dansten met de golven en de sterren, naar de diepte toe.

Comments

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s